Woninghuur / handelshuur - vergoeding wegens uitzetting

De Handelshuurwet voorziet in de artikelen 25 e.v. dat de huurder, die uit het gehuurde goed gezet wordt, in welbepaalde gevallen recht heeft op een uitzettingsvergoeding.  Het gaat om bepaalde gevallen waarin de verhuurder de vraag tot huurhernieuwing van de huurder weigert.

Artikel 28 van de Handelshuurwet voorziet dat de rechtsvordering tot betaling van deze vergoeding moet worden ingesteld binnen het jaar.

Een gelijkaardige termijnbepaling is niet terug te vinden in de Woninghuurwet.

De vrederechter van Oostende werd geconfronteerd met een geval van Woninghuur, waarbij de huurster opgezegd was door de verhuurder voor eigen gebruik (art. 3 §2 Woninghuurwet). De verhuurder had het opzeggingsmotief echter niet correct uitgevoerd, zodat de huurder een rechtsvordering instelde tot het bekomen van schadevergoeding, zoals voorzien in hetzelfde artikel 3. Deze vordering was echter niet ingediend binnen het jaar. Volgens de verhuurder is de huurwetgeving  discriminerend, in die zin dat de Handelshuurwet wel en de Woninghuurwet geen termijnbepaling bevat voor het indienen van de vordering. Hierop heeft de vrederechter van Oostende een prejudiciële vraag gesteld aan het Grondwettelijk Hof.

Op 15 juni 2017 heeft het Grondwettelijk Hof een arrest geveld. Het Hof koppelde terug naar de voorbereidende werken van de onderscheiden huurwetgevingen. Inzake Handelshuur wordt voornamelijk de nadruk gelegd op stabiliteit voor de huurder, met een specifieke mogelijkheid tot huurhernieuwing die slechts in bepaalde omstandigheden kan geweigerd worden. De in artikel 28 voorziene termijn voor het instellen van een rechtsvordering vormt dan weer een bescherming voor de verhuurder tegen een langdurige onzekerheid. In de Woninghuur beoogde wetgever eerder een evenwicht tussen de noodzakelijke bescherming van de huisvesting en de gewettigde belangen van de verhuurder. De wetgever oordeelde dat er geen noodzaak was om de woninghuurder een bepaalde spoed op te leggen voor het instellen van een rechtsvordering.

Het Grondwettelijk Hof beklemtoonde dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van verhuurders, dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende huurstelsels, op zich geen discriminatie inhoudt. Rekening houdend met de verschillende doelstellingen van de Handelshuurwet en de Woninghuurwet kwam het Grondwettelijk Hof aldus tot het besluit dat de prejudiciële vraag ontkennend moest beantwoorden, en dat er geen sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel, vervat in de artikelen 10 en 11 van de grondwet.

(Grondwettelijk Hof, arrest nr. 78/2017 van 15 juni 2017, rolnummer 6530)